Griekenland
heeft een rijke geschiedenis met veel tradities. De talloze opgravingen
uit de oudheid zijn erg belangrijk voor het land. Cultuurliefhebbers kunnen
er hun hart ophallen.
Vergeet ook niet de typisch Griekse keuken met de overheerlijke souvlaki
en mousaka. Drink bij al dit lekkers een heerlijke ouzo: "Ja mas,
op Griekenland!"
Griekenland
ligt in het zuidoosten van Europa. Het bestaat uit het vasteland met het
schiereiland Peloponnesos en circa 1500 eilanden, waarvan er 160 zijn
bewoond. De bekendste van deze eilanden zijn: Corfu, Zakynthos, Thasos,
Chios, Kos, Karpathos, Rhodos, Mykonos, Thera en Kreta.
Natuur
De plaatsen waar het bos is verdwenen maar de grond niet in gebruik is
genomen door boeren, zijn nu overwoekerd door altijd groene steeneiken
aardbeibomen, johannesbroodbomen en wilde olijfbomen. Op extreem droge
plaatsen floreert de frygana, een altijd groene lagere begroeiing. Hiertoe
behoren tal van stekelige struiken en geurige kruiden, zoals tijm en lavendel.
Veel voorkomend
zijn aleppodennen en andere pijnbomen, waaronder cipressen. In de hoger
gelegen gebieden van het binnenland groeien bomen die ’s winters
hun loof verliezen: eiken, beuken, essen en andere soorten.
Een zeer
algemeen voorkomend lid van de Griekse fauna is de geit. Dit nietsontziende
dier richt veel schade aan door vraat aan de jonge vegetatie. Ezels, muilezels
en paarden, oorspronkelijk in gebruik als lastdieren, maken steeds meer
plaats voor gemechaniseerd vervoer.
De wildstand
van Griekenland loopt sterk achteruit. Dit komt door de rigoureuze ingrepen
in de vegetatie. Alleen de vogels zijn er nog in tal van soorten. Zo kun
je er nog uilen, arenden, lammergieren en een groot aantal bekendere vogelsoorten
waarnemen. Herten en wilde zwijnen leven nog steeds in de bergen en af
en toe worden er in het noorden beren en wolven gesignaleerd die vanuit
de Balkan naar Griekenland zijn gekomen. Voorts zijn er veel slangen en
schildpadden.
Klimaat
Een groot gedeelte van Griekenland heeft een mediterraan klimaat met hete,
droge zomers en zachte, regenrijke winters. De door bergruggen afgesloten
vlakten hebben meer een land- of Balkanklimaat. Verder zijn er vrij aanzienlijke
verschillen tussen noord en zuid, de oost- en westkust, het vasteland
en de eilanden.
Een mooie
tijd om Griekenland te bezoeken is de lente, die in maart begint en tot
half mei duurt. De zomer is gewoonlijk heet en droog en duurt lang; ongemerkt
gaat hij, zonder eigenlijke herfst, in oktober over in de winter. De heftige
regenbuien van de winter zijn meestal van korte duur; het moet al gek
gaan, wil de zon zich in die tijd niet elke dag even laten zien.
In het algemeen
zijn het voor- en najaar in heel Griekenland voor reizen geschikt. De
Egeïsche eilanden hebben een hogere wintertemperatuur dan het vasteland,
terwijl de zomerhitte er gematigd wordt door de zee. Rodos en Kreta zijn
ook voor een wintervakantie geschikt, al kan het er dan fris zijn.
De lente,
van maart tot half mei, wordt aangeprezen als de beste reistijd, maar
het kan dan vaak heel wat kouder zijn dan u wellicht had gehoopt en de
folders wel eens beweren. De tijd van eind april tot begin juni biedt
betere waarborgen: de bomen zijn groen, weelderig bloeien de bloemen langs
de wegen, de felrode klaprozen omlijsten de antieke ruïnes en in
het zuiden is het water al warm genoeg om te zwemmen. De Griekse meimaand
heeft echter zijn kuren. In de schaduw kan het erg fris zijn. Soms vertrekt
de zon al om vier uur en wordt de lucht erg grijs.
Het volgende
overzicht geeft de gemiddelde jaartemperaturen in graden Celsius van Korinthe
in het noordoosten van de Peloponnesos, Nafplion aan de Golf van Argolis,
Sparta in het zuiden van de Peloponnesos en van Thessaloniki in het noorden.
Cultuur
De traditionele cultuur van Griekenland verliest in rap tempo terrein.
De televisie is inmiddels overal doorgedrongen en daardoor wordt men geconfronteerd
met de moderne cultuur. De klederdrachten zijn zo goed als verdwenen uit
het dagelijks leven. Alleen tijdens folkloristische feesten kun je nog
wel eens een groter aantal in traditionele kleding gestoken Grieken tegenkomen.
In het algemeen geldt dat, naarmate een gebied geïsoleerder is gelegen,
de kans groter wordt dat je iemand in klederdracht tegenkomt. Dat gaat
ook op voor traditionele dansen, die oorspronkelijk een integraal onderdeel
van feesten op het platteland uitmaakten. Nu worden ze vaak speciaal voor
toeristen uitgevoerd.
De volksmuziek
klinkt West-Europeanen in eerste instantie vreemd in de oren. De bouzouki,
een snaarinstrument dat enigszins op een mandoline lijkt, wordt vaak gehanteerd.
Enige Griekse volksdansen zijn dankzij goed aangeslagen Griekse films
bekend geworden over de hele wereld. Dat geldt zeker voor de sirtaki.
Wanneer je de volksmuziek en volksdans niet meer kunt ondergaan in een
authentieke omgeving, dan is er altijd nog de Atheense wijk Plaka, waar
in tal van nachtclubs en eetgelegenheden muzikanten en dansers optreden,
die de traditionele kunst in een op toeristen toegesneden entourage en
met een modern sausje overgoten in ere houden.
Taal
De Grieken zullen het zeker waarderen wanneer u de moeite doet een enkel
woordje Grieks te spreken. Met ‘goedemorgen’, ‘alstublieft’
en ‘dank u wel’ maakt u al gauw een goede beurt en dat maakt
verder contact makkelijker. Iets wat in de dagelijkse omgang met Grieken
soms voor de nodige verwarring kan zorgen, is het Griekse woordje nè,
dat in het Nederlands ‘ja’ betekent. Bovendien schudt degene
die het zegt, met zijn hoofd. Ochi is Grieks voor ‘nee’ en
gaat gepaard met een knikkende hoofdbeweging...
Eten
Het Griekse menu is tamelijk sober. De kok werkt graag met lams- en schapenvlees,
vis, rijst, olijven, tomaten, komkommer, paprika, knoflook, uien, artisjokken,
aubergines, kruiden en witte schapenkaas (feta). De olijfolie in de keuken
is prima; toeristenhotels gaan steeds minder olijfolie gebruiken bij de
bereiding van de spijzen, maar het staat altijd wel op tafel. De meeste
hotels en grote restaurants serveren naast Griekse ook ‘Europese’
gerechten.
Als voorgerecht
wordt gewoonlijk een dunne of gebonden tomaten-, asperge-, selderij- of
champignonsoep opgediend, soms ook een bouillonsoep met rijst of een soep
met veel grote bonen erin.
Als voorgerecht
verschijnt ook vaak macaroni of spaghetti op tafel: pastitsiomakaroni
is een pasteitje met macaroni en gehakt vlees en een saus. Andere voorgerechten
zijn tiropita (kaassoufflé), taramosalata (pasteitje met viskuit),
saganaki (een gebakken ei met kaas), spanakopita (deegvierkantjes als
ravioli met een dikke laag spinazie ertussen), domates (met rijst en vlees
gevulde gebakken tomaten), dolmadakia (rijst met gehakt schapenvlees,
wat kruiden en gesnipperde uitjes, gerold in een mals groen kool- of druivenblad;
de rolletjes worden warm of koud opgediend en zijn overgoten met een iets
zurig sausje) en tsadziki (dikke yoghurt met geraspte komkommer en knoflook).
Er wordt
in de Griekse keuken vooral lams- en schapenvlees verwerkt; ook wel wat
varkens- en kalfsvlees, maar weinig rundvlees. Ook verschijnt er vaak
kip op tafel. Veel voorkomende gerechten zijn moussaka (een zware schotel
– soms in een vuurvast schaaltje – van gekruid gehakt, stukjes
omelet, aardappelen, tomaten, aubergines, augurken, schijfjes ei, overgoten
met een dikke gele bechamelsaus of olijfolie), pilafi (een Turks gerecht
van rijst en schapenvlees), keftedes (sterk gekruide vleesballetjes),
kokoretsi (stukjes lever, nier, milt en hart van lam of schaap, opgeborgen
in darmen, aan het spit geregen en boven gloeiend houtskool geroosterd),
arnaki souvlas (geroosterd schapenvlees), gounoropoulo (geroosterd speenvarken
met een krokant korstje), souzo-kakia (vleesballetjes, in tomatensaus
gekookt), stifado (met veel uien en komijn op een zacht vuurtje gaar gestoofde
haas of konijn) en kotopita (een met gevogelte gevuld pasteitje).
Restaurants
Grieken eten vaak buitenshuis. De steden en dorpen en wegen zijn bezaaid
met eethuisjes. Aan de rand van een flinke plaats bevinden zich steeds
enkele specialiteitenrestaurants. De eethuisjes zijn dikwijls opgesierd
met vogelkooitjes en namaakwijnranken. Het is geen bezwaar dat je moeilijk
wijs kunt worden uit het menu. Je wordt dan door de patroon vriendelijk
uitgenodigd in de keuken of uit de koelkast aan te wijzen waarvan je een
portie wilt verorberen. Het is leuk om pottenkijker te spelen.
Het is vaak
moeilijk een keus te maken: gebakken ingewanden van een schaap, een portie
aubergines in hete olijfolie, witte bonen in tomatensaus, een stuk lamsbout
of een van de talrijke andere gerechten die er drijven en sudderen in
bakken, pannen en ketels. De koelkast bevat een uitstalling van vis, vlees,
kaas en fruit. Op de tafel staat altijd een mandje met brood.
De bediening
is altijd in de prijs begrepen, maar een fooitje voor een extra bewezen
dienst of een betoonde vriendelijkheid wordt op prijs gesteld. In sommige
tavernes wordt bouzouki-muziek gespeeld. Voor de begeleiding van zang
en dans is de bouzouki – een soort gitaar met zes snaren en een
lange hals – bij het publiek geliefd om zijn wat melancholisch klinkende
tonen. Vaak treden bouzouki-spelers op tijdens de avondmaaltijden in de
duurdere tavernes en restaurants; in volkscafés klinkt de bouzouki
ook via platen of radio.
Dranken
Water (nero) wordt heel veel gedronken. Koud water (krio nero) wordt geserveerd
bij wijn, koffie, ijs, ouzo, gebak en soms zelfs thee en limonade. In
elk café is altijd een glas koud water beschikbaar. Enkele goede
merken tafelwater (metalliko nero) zijn ‘negrita’, ‘loutraki’
en ‘saritsa’. De thee (tsaï) is goed; gewoonlijk hangt
er een zakje van een goed buitenlands merk in de pot.
Als frisdrank
wordt veel portokalada (sinas) gedronken. Goede cafés hebben de
lekkere katalaba, een mengsel van uitgeperst sinaasappel- en citroensap.
‘Fix’ is het veel gedronken Griekse bier (bira), dat best
smaakt, hoewel sommigen een selderijsmaak bespeuren. Enkele andere Griekse
bieren zijn: ‘Attika’, ‘Hellas’, ‘Alfa’
en ‘Gorona’.
De nationale
borrel is de ouzo, een anijsbrandewijn met een flink alcoholgehalte. Grieken
drinken de ouzo meestal met koud water of blokjes ijs in het hoge glas,
waardoor de drank troebel wit wordt. Raki is eveneens sterk en scherp
van smaak, hij is getrokken van druivendroesem en verschilt wezenlijk
van de Turkse, die veel meer op ouzo lijkt. Eigen sherry heeft Griekenland
niet, wel vermout, die echter van mindere kwaliteit is dan de Franse of
Italiaanse. Beter is de eigen brandy of cognac (koniak), waarvan ‘Metaxa’
de beste is. Hij smaakt bijna zoet en is verkrijgbaar in drie soorten:
met drie, vijf of zeven sterren. Elke behoorlijke bar schenkt ook buitenlandse
dranken, maar die zijn heel wat duurder dan die van eigen bodem.
De typisch
Griekse, geharste wijn heet retsina. De eerste glazen, met de iets wrange,
harsachtige smaak, vallen vaak tegen, maar de kenners zeggen dat hij steeds
beter gaat smaken naarmate men er meer van drinkt. In elk geval is de
retsina aangepast aan het klimaat en zeer geschikt om de dorst te lessen.
Naar verluidt compenseert hij bovendien de olijfolie en is daardoor een
uitstekend middel tegen zekere darm- en maagstoornissen.