
De totale oppervlakte van Engeland bedraagt 130.422 km2 en dat is 54%
van de oppervlakte van het Verenigd Koninkrijk (Schotland 78.800 km2,
Wales 20.800 km2, Noord-Ierland 14.100 km2). Engeland is daarmee ca. drie
keer zo groot als Nederland. De oppervlakte van het Verenigd Koninkrijk
is 244.122 km2. Het Verenigd Koninkrijk is daarmee bijna 6 keer zo groot
als Nederland.
Engeland ligt ten noordwesten van het Europese vasteland en vlakbij Frankrijk;
slechts 35,4 km scheidt de kust van Engeland (Dover) met die van Frankrijk
(Calais) via de Straat van Dover.
Engeland vormt het zuidelijke deel van Groot-Brittannië, grenst in
het noorden aan Schotland, in het westen aan Wales, in het oosten aan
de Noordzee en in het zuiden aan Het Kanaal.
Oost-Engeland wordt door de Noordzee gescheiden van Scandinavië,
Nederland, België en Noord-Duitsland. Ierland en Engeland worden
gescheiden door de Ierse Zee.
De totale kustlijn van Engeland bedraagt 1851 km en geen enkele plaats
ligt meer dan 121 km verwijderd van de zee.
Tot Engeland behoren ook de Kanaaleilanden jersey, Guernsey, Alderney
en Shark, het Isle of Man, het Isle of Wight, en de Isles of Scilly, waaronder
St. Mary’s.
Landschap
Engeland
was vroeger voor een groot deel bedekt met bossen. Daarvan is niet veel
meer over, op een paar bosrijke gebieden na zoals de New Forest bij Southampton
en Sherwood Forest in de buurt van Nottingham.
Het kustlandschap van Engeland is zeer gevarieerd, van kiezelstranden
en krijtrotsen in Sussex tot uitgestrekte zandstranden in het noorden
van Norfolk. Het zuidwesten kent witte zandstranden waar populaire badplaatsen
liggen als Brighton en Blackpool.
Groot-Brittannië kan grofweg worden verdeeld in Upland Britain met
hoogvlakten en gebergten en in Lowland Britain met laagvlakten en open
velden. Engeland wordt in het algemeen gedomineerd door laagland. Hoger
gelegen gebieden zijn het Penninisch Gebergte (tot 640 meter), de Yorkshiremoerassen
(tot 450 meter), het gebergte van Cumbria (tot 1000 meter) en Cornwall
(tot 620 meter).

Streken
Zuidoost-Engeland
of het ‘Londense platteland’ heeft een gevarieerd reliëf
met veel bomen, bossen en parken. Het bekken van Greater London is omgeven
door krijtheuvels: in het noordwesten de Chiltern Hills, in het zuiden
de North Downs en de South Downs die uitlopen in gigantische krijtrotsen.
Meer naar het oosten ligt de trechtermond van de Theems met aan beide
kanten verschillende kleine baaien en kreken.
In Zuidwest-Engeland
zijn de graafschappen Devon en Cornwall met elkaar verbonden door een
granieten bergkam met hooggelegen, stenige heidevelden en rotspunten.
De lange kust biedt een breed scala aan landschappen, variërend van
indrukwekkende rotsbastions, baaien en zeearmen die tot diep in het binnenland
reiken met beboste oevers.
East Anglia
heeft een licht glooiend landschap met uitgestrekt akkerland. Ten oosten
van Norwich liggen de Norfolk Broads, dat een groot aantal ondiepe wateren
telt. De moerassen en het veengebied rond de Wash Bay zijn veranderd in
bouwland.
Lincolnshire en East Anglia komt nauwelijks boven zeeniveau uitkomt. Dit
nu drooggelegde gebied bestond vroeger vooral uit vruchtbare wetlands,
beter bekent onder de naam ‘The Fens’.
De Midlands
in Midden-Engeland worden in het noorden en westen begrensd door het Penninisch
Gebergte en de bergen van Wales. In het zuiden en oosten loopt een vage
grens die gevormd wordt door brede dalen, rivieren met op de achtergrond
de steile hellingen van bergketens, onder andere de Cotswolds Hills.
Elders is het landschap gevarieerder met heuvelland, heidevelden en beboste
gebieden.
Noord-Engeland
wordt gekenmerkt door hooggelegen heidevelden en ruige bergen. Hier ligt
het Penninisch Gebergte (Pennines) met aan weerskanten uitgestrekte laagvlakten,
onder andere de Cheshire Plain en de Lancashire Plain. Aan de oostkant
ligt een vruchtbaar gebied, dat in noordelijke richting uitloopt in de
Vale of York en naar zee wordt begrensd door krijtplateaus. In het uiterste
noorden zijn de onherbergzame Cheviot Hills de afgesleten overblijfselen
van oude vulkanen. De Yorkshire Dales heeft een kenmerkend kalklandschap
met plateaus en hoge heuvels met afgeplatte toppen, waaronder de 693 meter
hoge Pen-y-Gent, maar ook kloven, rotswanden, grotten en onderaardse rivieren.
Ten oosten van het Penninisch Gebergte beslaat het North York Moors National
Park een brede heidevlakte. In het westen bevindt zich het Lake District
met de hoogste bergtoppen van Engeland, zoals de Scafell Pike van 978
meter. Deze streek kent een grote verscheidenheid van berglandschappen,
van woeste rotsen tot mooie parklandschappen bij het Windermere Lake.
Rivieren en meren
Engeland
heeft een groot aantal kleine rivieren; de grootste, de Theems (Thames),
is 336 km lang, waarvan maar 280 km bevaarbaar is. Er zijn 55 bevaarbare
rivieren, waarvan de voornaamste zijn: de Theems, Ouse, Trent, Humber,
Tees, Wear en Tyne in het oosten, de Avon in het zuiden en de Severn,
Dee en Mersey in het westen. De meeste rivieren hebben een diepe bedding,
zijn rijk aan water, kennen weinig verval, hebben een rustige loop en
kunnen over het algemeen goed bevaren worden.
De meren, vooral in het veel bezochte Lake District, zijn niet groot,
maar vaak fraai gelegen. Lake Windermere (15 km2) is het grootste meer
van Engeland; een ander groot meer is Ullswater, 9 km2.
De vloed is aan de westkust het hoogst; in de Solway Firth en aan de Severnmond
bereikt hij een snelheid van 16 km per uur en een hoogte van 13-14 meter.
Aan de monding van de Theems is de vloed normaal gesproken nog geen 5
meter hoog.
Klimaat
Engeland heeft een zeer maritiem klimaat door de ligging midden in de
Noord-Atlantische Golfstroom en vooral door de sterk overheersende zuidwestelijke
winden, die bijna voortdurend vochtige zeelucht aanvoeren. Ook de geringe
jaarlijkse gang van de temperatuur is kenmerkend en bedraagt in Zuidoost-Engeland
slechts 13°C. De winters zijn over het algemeen zacht en de zomers
koel, met in beide periodes een vrij grote luchtvochtigheid. Alleen wanneer
's winters door oostelijke winden lucht van het Europese vasteland wordt
aangevoerd, kunnen zeer lage temperaturen voorkomen.
Mist komt vrij vaak voor, in het industriegebied van Midden_Engeland bijvoorbeeld
meer dan vijftig dagen per jaar. Het gemiddelde aantal uren zonneschijn
is niet erg hoog: 30 tot 40% langs de zuid- en oostkust, langs de westkusten
minder tot minder dan 20% in het Schotse hoogland. In het zuiden is het
over het algemeen warmer dan in het noorden. In het zuiden schommelt de
temperatuur tussen de 4°C in januari en 18°C in juli. Hier groeien
ook spontaan palmbomen, speciaal in het gebied dat ook wel de ‘Cornish
Rivièra’ genoemd wordt. Temperaturen van boven de 30°C
komen in geheel Engeland maar sporadisch voor.
Het regent zeer vaak in Engeland; op de meeste plaatsen meer dan 200 dagen
per jaar. De neerslag hangt vooral samen met over of ten noorden van de
Britse Eilanden passerende depressies. Deze veroorzaken ook de krachtige
winden in het westen en het noorden: ca. 30 dagen per jaar met een windkracht
8 of hoger. Door stuwing zijn de neerslaghoeveelheden het grootst langs
de westkust en speciaal waar het bergachtig is. Zo valt er in delen van
de Pennines en het Lake District soms meer dan 4500 mm regen per jaar.
In het oosten en in de lager gelegen gebieden regent het aanzienlijk minder.
Daar valt gemiddeld tussen de 1000 en 1500 mm per jaar. In Londen en in
delen van het aangrenzende Essex en Kent zelfs maar 600 mm per jaar. De
meeste regen valt in de periode van eind september tot eind november,
maar ook midden in de zomer kan het flink regenen. In oktober 2000 en
in maart 2001 viel er in bepaalde delen van Engeland extreem veel regen,
waardoor hele gebieden onder water kwamen te staan.
In Zuidoost-Engeland bedraagt het gemiddelde aantal sneeuwdagen meer dan
15, langs de westkust van Wales ca. 7.